Een beeld dat terugkwam – over een oud visioen en nieuwe betekenis

Sommige ervaringen verdwijnen niet echt. Ze verdwijnen alleen naar de achtergrond. Jaren kunnen voorbijgaan zonder dat je eraan denkt, tot iets ouds zich ineens weer aandient. Niet als een gewone herinnering, maar alsof het opnieuw even zichtbaar wordt.
Wat mij vooral is bijgebleven uit een sessie die ik in 1998 deed, is een visioen of regressie waarvan ik me nu afvraag of het eigenlijk wel een regressie was.
Ik zie een weiland. Een kudde schapen staat dicht op elkaar. Niet rustig verspreid, maar zoals schapen dat doen: dicht tegen elkaar aan, bijna als één bewegende massa.
Tussen die kudde loopt een man die eruitziet als een herder uit een andere tijd. Geen moderne herder, eerder iemand uit lang geleden. Hij probeert niet om de kudde heen te lopen. Hij kiest niet de makkelijkste weg langs de rand. Hij loopt er dwars doorheen. Dat blijkt bijna onmogelijk.
Schapen wijken niet zomaar opzij. Ze klonteren samen, bewegen als groep, zoeken veiligheid bij elkaar. De man komt amper vooruit, maar hij stopt niet. Hij moet erdoor. Waarom weet ik niet. Maar in het beeld voelt het alsof er geen andere mogelijkheid is.
Naast het weiland loopt een weggetje. Daar staan twee auto’s. Oude modellen, waarschijnlijk uit de jaren dertig. Naast die auto’s staan enkele mannen. Ze zeggen niets. Ze doen niets. Ze kijken alleen toe hoe de herder tegen de kudde ingaat.
Later verschuift het beeld.
De man bevindt zich bij een klein huisje of een hut. Binnen zijn enkele vrouwen. Ze zijn stil. Onderdanig bijna. Ze reageren op zijn aanwezigheid, maar durven hem niet tegen te spreken.
Destijds werd uitgelegd dat ik die man zou zijn geweest. Een vorig leven.
Op dat moment voelde die uitleg misschien logisch. Misschien had ik die verklaring toen ook nodig om iets een plek te geven. Maar nu, zoveel jaren later, voelt het anders. Niet alsof het fout was. Meer alsof het niet meer helemaal past.
Ik heb hier jarenlang niet aan gedacht, maar ineens kwam het beeld terug. En met dat terugkomen kwam ook een andere vraag:
Wat als dit helemaal geen herinnering was?
Wat als sommige beelden zich niet laten vangen in woorden als vorig leven of regressie?
Want hoe langer ik ernaar keek, hoe minder het voelde als een historisch verhaal en hoe meer als iets symbolisch. Iets dat zich liet zien in beelden, zoals dromen soms meer vertellen dan woorden kunnen doen.
Misschien was de herder niet letterlijk een persoon. Misschien stond hij voor een manier van bewegen door het leven. Want als ik nu terugkijk, raakt vooral één ding me: hij moest erdoor. Niet langs de rand. Niet eromheen. Dwars door weerstand heen.
En ineens voelde dat verrassend herkenbaar.
Soms zijn er periodes waarin je het gevoel hebt dat dingen alleen kunnen door erdoorheen te gaan. Door weerstand. Door moeite. Door dicht op elkaar gepakte situaties waarin weinig ruimte lijkt te zijn. Niet omdat je dat wilt. Maar omdat het voelt alsof er geen alternatief is.
Misschien ging dat beeld daar wel over.
En ineens kregen ook die mannen langs de kant een andere betekenis. Want zij deden niets. Ze keken alleen. Vroeger vond ik dat detail onbelangrijk. Nu niet meer. Omdat er een verschil is tussen aanwezig zijn en toekijken. Tussen meebewegen en beoordelen.
Misschien ging dat beeld helemaal niet over auto’s of over een andere tijd. Misschien ging het over iets veel menselijkers: het gevoel dat je iets doet wat innerlijk klopt, terwijl ergens ook het gevoel bestaat bekeken te worden.
Alsof de vraag in de lucht hangt:
Doe ik dit wel goed?
Ook de vrouwen in het huisje voelen nu anders. Niet als personen uit een verhaal, maar als stille delen. Delen die zich aanpassen. Delen die geleerd hebben dat zwijgen veiliger is dan spreken. Misschien kent iedereen zulke delen. Niet groot of dramatisch. Maar kleine stukken die ooit hebben geleerd voorzichtig te worden.
Wat me misschien nog wel het meest opvalt, is niet dat het beeld terugkwam. Maar dat ik er nu naast kon staan. Vroeger zat ik erin. Nu keek ik ernaar. En dat verschil voelt groter dan het klinkt.
Want ineens hoefde ik niet meer te kiezen of het echt was of niet. Ik hoefde niet te bewijzen dat het een vorig leven was, of juist fantasie. Ik hoefde alleen te kijken. En misschien is dat genoeg. Tijdens het nadenken hierover kwam ineens een zin in me op:
“De puzzelstukjes vallen niet op hun plaats. Ze worden gelegd.”
En misschien is dat precies wat veranderd is. Niet zoeken. Niet forceren. Niet wachten. Alleen rustig neerleggen wat op zijn plek voelt. Niet omdat het plaatje al af is. Maar omdat je soms ineens weet:
dit stukje hoort hier.
